Download voor gebruik op tablets de gratis app appstore androidstore sluiten

Ouderdom, een portret

Ouderdom, een portret In de Roman van de Roos, een vertaling van de Oudfranse liefdesallegorie Roman de la Rose, treden talloze allegorische figuren op (Jaloezie, Vrees, Rede, Honger) die uitgebreid beschreven worden en/of sprekend worden ingevoerd. Een portret van Ouderdom.

Gelezen door Frank Willaert
Hierna stont Outheit betogen,
Lelic ende sere gebogen,
Harde cranc ende sere verrompen
Ende enen voet wel gecrompen
Van dien dat si te sine plach.
Si nam af nacht ende dach,
Beide van sinne ende van wijsheden
Ende hare scoenheit was al leden.
Si was alse wit van hare
Alse ocht si gebloit al ware.
Al verdroget so was hare lijf
Ende hadde van coude die handen stijf.
Vol ronsen so was hare die huut;
Tmos wies hare ten oren uut.
Hare tanden waren uut gemene
Gevallen, sonder een allene,
Die groet was ende voren oec stoet.
Sie en ware niet enen voet
Sonder hare potente gegaen:
Hare macht was hare also ontgaen.
Die tijt die noit en gelach,
Maer die gaet nacht ende dach,
Sonder rusten hi hene gaet,
Al dunct ons dat hi stille staet
Ende in enen poente duren.
Hi gaet met tiden ende met uren
Ende lijt sonder keren weder,
Gelijc dat twater vallet neder
Ende dies dropel weder en keert:
Aldus is oec die tijt geleert.
Jegen den tijt en mach niet duren
Yser no borech met hogen muren;
Die tijt die verteert al.
Wat dat leeft, groet ende smal,
Heeft die tijt oec opgevoedt
Ende die tijt hi verdoedt.
Die tijt sent alle dinc ter mouden;
Die tijt dede onse vorderen ouden;
Die tijt doet vulen alle dinc;
Die tijt out keyser ende coninc.
Oec sal si ouden doen ons allen,
Die doet en doet ons tirsten vallen.
Die tijt die breect dit ende tgene,
Hadde so versoft dese oude quene,
Dat si en wiste wat si dede:
Sie was in hare irste kintshede.
Ic wille wel geloven das,
Alsi in haren poente was,
Datsi hadde wijsheit ende sin,
Maer nu sceen sijs hebben min.
Versoft was si in hare gedane;
Ene cappe hadde si ane,
Ene sware ende ene oude,
Wel gevoedert jegen tcoude,
Want ouden lieden, dat es waer,
Gaet ene cleine coude naer.
Hierna was Ouderdom afgebeeld,
lelijk en helemaal krom,
zeer zwak en heel gerimpeld
en met één verschrompelde voet
ten opzichte van wat die [voet] was geweest.
Van dag tot dag nam zowel haar
verstand als haar wijsheid af en haar
schoonheid was al helemaal verdwenen.
Ze was zo wit van haar dat het
leek alsof ze met bloesem overdekt was.
Heel haar lichaam was uitgedroogd
en haar handen waren stijf van de kou.
Haar huid was vol rimpels;
er groeide mos uit haar oren.
Al haar tanden waren uitgevallen,
op één enkele na, een
grote en ook vooruitstekende.
Ze had geen stap kunnen
lopen zonder haar krukken,
zó waren haar krachten weggevallen.
De tijd staat nooit stil,
maar hij verstrijkt, dag en nacht,
zonder rusten gaat hij heen,
al lijkt het ons alsof hij op
een bepaald punt stil blijft staan.
Hij verstrijkt met uren, met jaren
en gaat voorbij zonder terug te keren,
zoals het water dat neervalt
en waarvan geen druppel nog terugkeert:
zo is het ook met de tijd.
Tegen de tijd is niets bestand,
geen staal en geen burcht met hoge muren;
de tijd verslindt alles.
Alles wat leeft, groot en klein,
is grootgebracht door de tijd,
terwijl die tijd ook weer verwoest.
De tijd doet alles tot stof vergaan;
de tijd deed onze voorouders oud worden;
de tijd doet alles tot bederf overgaan;
de tijd veroudert keizers en koningen.
Hij zal ook ons allen oud maken,
de dood zal ons terstond vellen.
De tijd die alles stukmaakt,
had deze oude vrouw zo versuft
dat ze niet wist wat ze deed:
ze was helemaal kinds.
Ik wil graag geloven dat ze,
toen ze in de bloei van haar leven was,
wijsheid en verstand bezat, maar nu
scheen ze daar niets van over te hebben.
Ze was compleet versuft;
ze droeg een dikke, oude
mantel met een kap,
goed gevoerd tegen de kou,
want oude mensen, dat is waar,
hebben al last van een beetje kou.