Download voor gebruik op tablets de gratis app appstore androidstore sluiten

Naar de slager

Naar de slager In dit fragment uit het Bouc vanden ambachten is goed te zien hoe een dergelijk conversatieboekje in een willekeurig gesprek een grote hoeveelheid woorden weet aan te dragen om de woordenschat van de lezer te vergroten.

Gelezen door Veerle Fraeters en Frank Willaert
‘Grielekin, nem ghelt, ende ganc in ’t vleeschuus; zo coop ons vleesch.’

‘Heere, wat vleesche wildi dat ic u cope? Wildi swinin vleesch verssche, metter groenre sausen of metten seveye? Coyen vleesch ghesouten wert goet metten mostaerde, ende ’t versche metten witten loke. Ende hebdi liever wederin vleesch of lammerin, versin vleesch of calverin, sij ’t in rooste of in sueure, ic sal ’t gheerne copen.’

‘Neen, Grielkin, maer coop bakin vleesch ende gheetin. Ding ons venison dat si van everswine, van herte of van hynde, ende bereed ’t metten brunen pepere. Alstuut hebst ghecocht, ganc in de hoenremaerct, zo coopt twee hoenren, een poelge ende twee kiekene. Maer ne gheenen capoen no gheenen hane ne brinc, no pluvieren, no snippen, no nachtegalen, musschen no meesen, ganzen no aenden, duven no duvejonghen, no tortelduven, velthoendren no partrisen, leewerken, pauwen no heeghers, odevaers no swanen, valmeduven no merlen, aendvoghels no butoers, cranen no oude hennen, want ic ben siec. Sulc vleesch soude mi deren. In sout ’s niet moghen verduwen; ende ne coop hase no conin.’

‘Heere, ghi hebt er mi meer ghenoemt dan ic wane copen. Ghi sijdt so teedre; ghi soud qualike moghen eten vleesch van peerden, van stieren no van coyen, van cattelen no van meerien, van leeuwen no van lupaerden. Noch sijnre andre beesten, daer men niet of rouct t’etene: wulven, vossen no fitsau, olifanten no catten, scheminkelen, eselen no honden. Maer beeren eet men wel, also doet men gheeten. Ic wane dat men niet ne eet aernen no griffoenen, sparewaers no valken, haveken no wuwen, no hulen, no uweranen, ratten no musen, raven no crayen.’
‘Grieltje, pak geld, en ga naar de slager; koop vlees voor ons.’

‘Heer, wat voor vlees wilt u dat ik koop? Wilt u vers varkensvlees, met groene saus of met uiensaus? Gezouten rundvlees is lekker met mosterd, en vers rundvlees met knoflook. En als u liever schapenvlees of lam hebt, lamsvlees of kalfsvlees, geroosterd of in ’t zuur, dan koop ik dat met alle plezier.’

‘Nee, Grieltje, koop maar varkens- en geitenvlees. En doe een bod op wild, hetzij van everzwijn, van hert of van hinde, en maak dat dan klaar met zwarte peper. Als je dat hebt gekocht, ga dan naar de vogelmarkt en koop twee hoenderen, een jonge hen en twee kuikens. Maar breng geen kapoenen of hanen mee, en ook geen pluvieren, snippen, nachtegalen, mussen of mezen; geen ganzen of eenden, geen duiven of duivenjongen, geen tortelduiven, veldhoenderen of patrijzen, geen leeuweriken, pauwen en ook geen reigers, geen ooievaars of zwanen, geen houtduiven of merels, geen eendvogels of roerdompen, en ook geen kraanvogels of oude hennen, want ik ben ziek. Zulk vlees zou niet goed voor me zijn. Ik zou het niet kunnen verteren; en koop ook geen hazen of konijnen.’

‘Heer, u hebt al meer opgenoemd dan ik van plan was te kopen. U bent zo zwak; u moet beter geen paardenvlees eten, of ossen- of rundvlees, en ook geen veulens of merries, en geen leeuwen- of luipaardenvlees. Er zijn nog meer dieren waarvan men het vlees maar beter niet moet willen eten: wolven, vossen, bunzings, olifanten, katten, apen, ezels en honden. Maar beren worden wel gegeten, net als geiten. En volgens mij zijn adelaars en griffioenen ook niet eetbaar, evenmin als sperwers, valken, haviken, wouwen, geen nachtuilen en andere uilen, geen ratten of muizen, en geen raven of kraaien.’