Download voor gebruik op tablets de gratis app appstore androidstore sluiten

Dageraadslied

Dageraadslied In het Antwerps Liedboek (1544) staat dit zogenoemde dageraadslied. De wachter op de muur kondigt de dageraad aan, wat voor de geliefden helaas betekent dat hun nachtelijk samenzijn voorbij is en het moment van afscheid-nemen is aangebroken.

Uitgevoerd door Camerata Trajectina met Marc Hauman, Suze van Grootel (†) en Paul Rans
‘Den dach en wil niet verborghen zijn,
Het is schoon dach, dat duncket mi,
Mer wie verborghen heeft zijn lief,
Hoe noode ist dat si scheyden.’


‘Wachter, nu laet u schimpen zijn
Ende laet hi slapen, die alderliefste mijn!
Een vingherlinck root sal ic u schincken,
Wildy den dach niet melden.’


‘Och meltic hem niet, rampsalich wijf,
Het gaet den jongelinck aen zijn lijf!
Hebdy den schilt, ic hebbe die speyr;
Daermede maect u van heyr!’


Die jonghelinck sliep ende hi ontspranck,
Die liefste hi in zijn armen nam:
‘En latet u niet so na ter herten gaen,
Ick come noch tavont weder.’


Die jonghelinck op zijn vale ros tradt.
Die vrouwe op hooger tinnen lach,
Si sach so verre noortwaert inne
Den dach door die wolcken opdringhen.


‘Had ick den slotel van den daghe,
Ic weerpen in gheender wilder Masen,
Oft van der Masen tot in den Rijn
Al en soude hi nemmeer vonden zijn.’
‘De dageraad is niet langer verborgen,
het is al dag, naar mij dunkt,
maar voor wie zijn geliefde in het geheim bij zich heeft
is het moeilijk om afscheid te nemen.’

[De vrouw spreekt:]
‘Wachter, houd nu op met uw spotten
en laat mijn allerliefste slapen!
Ik zal u een gouden ring schenken,
als u de dag níet wilt aankondigen.’

[De wachter tot de vrouw:]
‘Als ik de dag niet aankondig, ongelukkige vrouw,
kost dat de jongeman zijn leven!
U verdedigt zich, maar ik blijf aanvallen;
ga daarom snel hiervandaan!’

De jongeling sliep en schrok nu wakker,
hij nam zijn liefste in zijn armen:
‘Trek het je toch niet zo aan,
vanavond kom ik terug.’

De jongeling steeg op zijn geelwitte paard.
De vrouw boog zich over de borstwering van de toren,
ver weg in het noorden zag zij
de dageraad door de wolken breken.

[De vrouw spreekt:]
‘Als ik de sleutel van de dag in mijn bezit had,
zou ik hem daar in de woeste Maas gooien,
of vanaf de Maas helemaal tot in de Rijn
en dan zou hij nooit meer gevonden worden.’